Ervaringen
Hieronder heeft een cliënte met een dissociatieve identiteitsstoornis beschreven hoe zij haar problematiek en de behandeling heeft ervaren. Zij beschrijft daarbij haar ervaringen vanaf het moment dat ze de behandeling is gestart, ongeveer 8 jaar geleden, tot het punt van afsluiten. 

“We willen toch nog een test doen, want we vermoeden dat er meer aan de hand is.”
“Ja, dahaag! Jullie denken zeker dat ik een Lotje in me heb. Van 'van Lotje getikt'…”
Maar ik wist best wel dat het nodig was. Eigenlijk wilde ik het ook graag weten. Want pas als je weet wat het probleem is, weet je hoe je het op kunt lossen. Ik had een defect. En moest gerepareerd.
Ze heetten geen van allen Lotje. En getikt wilde niemand het noemen. Maar ik had wel DIS. En dus nogal wat delen in me, waar ik niet van op de hoogte was. Even dacht ik dat dit het einde was. Dat was het niet. Het was het begin. Het begin van een eindeloos lijkend gevecht. Tegen mezelf. Mijn overtuigingen. M’n angsten. M'n delen. M'n gewoontes en vanzelfsprekendheden. Maar ook het begin van luisteren naar mezelf. Serieus nemen wat zich daar van binnen afspeelde. Erkennen dat daar dingen waren waar ik geen idee van had. En de interesse voor mezelf opbrengen om al die stukken te onderzoeken. En uiteindelijk bij me te nemen.
Dat ging niet zo snel als ik het nu schrijf. Ik was veel te wiebelig en kapot om überhaupt die zoektocht aan te kunnen. Ik moest eerst leren stoppen met dissociëren. Of op z’n minst te signaleren wanneer ik dat deed. Zodat ik (nog aan te leren) maatregelen kon nemen. Dat moest, om op te kunnen nemen wat er tegen me gezegd werd. Om veilig over straat te kunnen. Om te kunnen leren, en om contact te kunnen hebben.

Ik leefde eigenlijk continu naast mijn lijf. Zo'n beetje schuin boven m’n hoofd. Of, als het goed ging, in mijn hoofd. Als er dan iets gebeurde waar ik niet mee kon omgaan, en dat was inmiddels een hele waslijst, ging ik gewoon op ‘stand by’. Of 'uit'. Of er kwam een deel naar voren. Dus om verder te komen moest ik toch echt weer in mijn lijf gaan zitten. Want zonder lijf kun je immers niet voelen. En zonder gevoel krijg je geen signalen. Dat maakte ook dat ik zelfs in het nu, steeds weer in moeilijke situaties terecht kwam. Ik moest dus echt contact gaan maken met mijn lijf. Dat was niet mals. Dat lijf was gebruikt als wegwerpartikel. Daar kón ik helemaal niet zijn. Dat was direct een grote trigger om nog verder te dissociëren. En voelen??? Dat vond ik 'zum kotsen'! Voelen, bracht alleen maar ellende. Voelen deed pijn. Ik dacht dat ik zou verzuipen. Dat het m’n dood zou worden. Voelen. O ja, en ik dacht, als ik er niet aan dood ga, dan word ik er zo’n zweverig, akelig mens van. Van voelen. Maar ik mocht binnen de behandeling eerst ‘mijn teen in het water houden’. Ik mocht stapje voor stapje. Ik mocht proberen en huiverend terugdeinzen.
Van voorzichtig m’n zintuigen opnieuw ontdekken. Tot bodyscan ’s. (Die nog lang te hoog gegrepen bleken.) Ik moest leren stil te staan. Bijvoorbeeld om dingen tot me door te laten dringen. Ik durfde helemaal niet stil te staan. Want als je stil staat, val je om. Als ik ga huilen, dan houd ik nooit meer op. En als ik boos word, dan kon het wel eens slecht aflopen.

Maar je zintuigen kunnen en durven gebruiken is veiliger dan alles buiten je houden. Je kunt maar beter voelen dat je met je hand in een kaars zit. Dan kun je hem terugtrekken. Stilstaan bij wat er gebeurt, maakt niet dat je omvalt. Het maakt dat je je voeten stevig op de grond kunt zetten. Emoties voelen maakt niks stuk. Het heelt juist. En het helpt je om je weg te vinden. Dat hielden ze me voor. Ik durfde het te geloven. Of nee, ik durfde het, stapje voor stapje, te proberen. Omdat ik ook ‘les kreeg’ in hoe je dan voor jezelf zorgt. Met je emoties. Wat ze kunnen betekenen en wat je daar dan überhaupt mee aan moet dan. Ik kwam er achter dat het waar was. Wat ze zeiden.

Daarnaast, eerlijk is eerlijk, wat ik deed en wat ik had, dat wilde ik niet meer. Ik had geen idee hoe ik hieruit moest komen. Zij hadden wél ideeën. Dan zou ik toch gek zijn als ik die niet probeerde?

Met elk stapje kreeg ik meer informatie. Over mezelf. Over alles wat ik zo diep weg verstopt had. Over wat men zoal vond, dacht en voelde daar vanbinnen. Over waarom dingen gebeurde zonder mijn medeweten. Waarom ik reageerde zoals ik deed. En alles mocht er zijn bij. Ik mocht er zijn. Niet alleen de ik die zo lekker gezellig doet. Of die zo lekker behulpzaam is. Nee, m’n hele ik. Met alle facetten. Mijn geschiedenis, inclusief de schaamte. De gevolgen die dat heeft gehad. En ook wat er niet is aangetast door dat vroeger. Allemaal. Zonder dat het grenzeloos was. Dat maakte dat het veilig genoeg was om alles te bekijken en tot me te nemen.
Bij mij zijn een aantal delen langzaam “als vanzelf” weer in mij opgegaan. Het was genoeg. Hun taak zat erop. Ze zijn niet weg. Ze zijn onderdeel van mij geworden. Als suikerklontjes in een kop thee. Sommigen zijn in de EMDR bewust geïntegreerd. En weer anderen hebben zich eerst bij een ander deel gevoegd en zijn van daaruit weer bij mij gaan horen. En er is er 1, die heeft nog steeds een speciaal plekje. Ik denk dat dat laatste losse stukje op een dag ook in mij op lost. Of niet. Misschien maak ik er nog een keer werk van. Maar voorlopig is het goed zo. 
Het was een lange weg. Het is oneerlijk dat ik ‘m moest gaan. Het was zwaar en dat is het soms nog steeds. Alles wat vroeger gebeurd is, gum je nooit meer uit. Al had ik dat stiekem wel gehoopt…

Toch is het de moeite waarde geweest. Ik heb regie over mijn leven. Ik dacht dat ik dat had, toen ik bovenop die beerput zat, door alle emoties en gebeurtenissen onder die deksel te houden. Maar ik was meer een soort wachter. Terwijl ondertussen m’n delen met me aan de haal gingen. Ik heb mijn kern weer gevonden. En ik heb mijn menselijkheid terug gekregen.